Het astronomische
getij
Tot nu toe
zijn we er met Newton van uitgegaan dat de gehele aarde met water is bedekt.
Ons uitgangspunt was dus het zogenaamde evenwichtsgetij. De werkelijke
situatie is natuurlijk een stuk ingewikkelder, aangezien er weldegelijk
landmassa's zijn en de aarde niet gelijkmatig met water is verdeeld. Continenten
en eilanden zijn opstakels op de weg en de zee is niet overal even diep.
Alleen in de buurt van de Zuidelijke IJszee, tussen 55 en 65 graden zuiderbreedte,
bevindt zich een strook water die niet door land wordt onderbroken en
waar de getijgolf zich ongehinderd kan voortplanten.
In de praktijk zijn de liggingen van de obstakels natuurlijk heel stabiel.
We kunnen dan ook op grond van deze situatie een grote regelmaat verwachten.
Alle in vorige schermen genoemde cycli zijn daarin terug te vinden. Dit
voorspelbare (en daarmee berekenbare) getij noemen we het astronomische
getij. Dit is ook het getij dat we in de getijtafels tegenkomen. Het is
informatie die zich redelijk nauwkeurig een aantal jaren vooruit laat
voorspellen. Ingrepen in de vorm van de kust door het aanleggen van dammen
en dergelijke kunnen verstorend werken.
Op
het zuidelijke halfrond ligt dus de oorsprong van onze getijbeweging.
De getijgolf die hier wordt opgewekt beweegt zich door de Atlantische
Oceaan naar het noorden en op deze reis wordt hij op verschillenden manieren
vervormd door de structuur van de oceaan. Na twee etmalen arriveert de
getijgolf in de Noordelijke IJszee. Tijdens deze reis ondervindt hij een
afwijking ten gevolge van de draaiing van de aarde. Deze Corioliskracht
is op het noordelijk halfrond naar rechts gericht. Verder blijkt de Atlantische
Oceaan zo groot te zijn, dat de periode van het getij ongeveer gelijk
is aan de eigen periode van de Oceaan. Hierdoor ontstaat er een staande
golf in de breedterichting, die er voor zorgt dat de getijhoogten aan
de rand van de Oceaan hoger zijn dan je op grond van de aantrekkingskracht
zou mogen verwachten.
We hebben
in de werkelijke situatie, "in het veld" te maken met meer invloeden
die de hoogte van het water bepalen. De luchtdruk speelt een kleine rol
en de wind speelt een grote rol, zowel de sterkte als de windrichting.
 
|