Voorspellingsmethoden
Er zijn
twee voorspellingsmethoden: de culminatiemethode en de harmonische analyse.
Beide methoden kennen als eerste een getij-analyse, waarbij men aan de
hand van waarnemingen over langere tijd tabellen maakt. Vervolgens kunnen
hiermee voorspellingen worden berekend.
De culminatiemethode
De theorie van de culminatiemethode grijpt direkt terug op de theorieën
van Newton. Het woord 'culmineren' betekent het hoogste punt bereiken.
De methode zet de tijd en de stand van hoog- en laagwater af tegen astronomische
waarden en dan met name het tijdstip waarop de maan op het hoogste punt
staat, de zgn. maansdoorgang. De methode is daarom vooral goed te gebruiken
in gebieden met een dubbeldaags getij. Andere astronomische variabelen
die bij de methoden worden gebruikt zijn de maansdeclinatie (de hoek van
de maan met de aardequator), de maanparallax (een maat voor de afstand
van de maan tot de aarde) en het seizoen. Vanaf 1965 zijn de getijvoorspellingen
aan de hand van deze methode berekend met behulp van een computer.
Oorspronkelijk werd de methode toegepast op een vijftal basisstations,
waarna vervolgens de tussenliggende stations hieruit werden afgeleid.
Dit begon grote problemen op te leveren, toen de Deltawerken goed op gang
kwamen. De grote hydrologische veranderingen die deze werken teweeg brachten,
maakten dat er voor ieder station een eigen analyse gemaakt moest worden.
Ook kwam nu de grote beperking van de methode steeds meer tot uiting,
t.w. alleen de hoog- en laagwaters (tijden en standen) kunnen worden berekend.
De tussenliggende waarden kunnen wel met de andere methode worden berekend
en deze is dan ook in 1986 als standaard voor alle stations ingevoerd.
De harmonische analyse
Voortbordurend op de ideeën van Johannes Kepler (1571-1630), Isaac Newton
(1642-1727) en Pierre Simon de Laplace (1748-1827) hebben William Thomson,
later Baron Kelvin (1824-1907) en George Darwin (1845-1912), de zoon van
Charles Darwin, de methode voor de harmonische analyse ontwikkeld. Het
getij wordt hierbij weergegeven als de som van een aantal sinusoïden,
waarvan de perioden corresponderen met die van de bewegingen van de zon
en de maan. Een sinusoïde is dus een harmonische component, die wordt
gekenmerkt door een golflengte en een amplitude. Aangezien we de bewegingen
van de aarde, de maan en de zon precies weten, kunnen we de belangrijkste
componenten (dus golflengten) van tevoren al precies definiëren. De amplituden
en fasen worden vervolgens met behulp van de kleinste kwadratenmethode
afgeleid uit waterstandsmetingen. Momenteel worden op een groot aantal
meetstations 10-minuten waarden van de waterstanden gemeten en centraal
bij het RIKZ geregistreerd. Deze meetreeksen worden gebruikt voor het
afleiden van de componenten. Aan de hand van de afgeleide componenten
worden de hoog- en laagwaters berekend, die vervolgens in de getijtafels
worden gepubliceerd.
De belangrijkste componenten zijn (uiteraard) het tweemaal daagse maangetij
M2 en het tweemaal daagse zongetij S2. In een vorig
scherm is een plaatje gegeven met de cotidal lines van de M2-component.
Een andere belangrijke component is een 'boventoon' van de M2, de M4.
Dit is een component met een frequentie van 6 uur en 12,5 minuten. M4
wordt zichtbaar indien M2 in de buurt van een amfidroom punt minder sterk
aanwezig is en veroorzaakt dan de in het vorige scherm beschreven agger
en dubbele kop.
Er worden een groot aantal componenten onderscheiden. Voor het berekenen
van de getijden langs de Nederlandse kust wordt een set van 94 componenten
gebruikt. Midden op zee heeft de kust minder invloed en kan met een kleiner
aantal componenten worden volstaan.
|
|