De dagelijkse ongelijkheid
De
draaiingsas van de aarde maakt een gemiddelde hoek van 66,5 graden met
de verbindingslijn tussen aarde en maan. Overigens doet ze dat ook met
de zon. De aardequator maakt dus een hoek van 23,5 graden (90 - 66,5)
met de verbindingslijn tussen aarde en maan (en dus ook aarde en zon).
De
ellipsoïde van de watermassa zal zich naar de maan richten. Iemand die
zich op een bepaalde plek op aarde bevindt zal dus bij een volledige rotatie
(één dag) twee hoog- en twee laagwaters tegenkomen, die ongelijk van hoogte
zijn. Dit wordt de dagelijkse ongelijkheid genoemd.
Bij
bepaalde springtijen is de dagelijkse ongelijk heid
bijzonder groot. De daarop volgende ongelijkheid zal dan juist klein zijn.
Dit houdt verband met het punt, ofwel de knoop, waar de maansbaan het
eclipticavlak snijdt. Het eclipticavlak is het vlak dat wordt gevormd
door de aardbaan en de zon. De zon, aarde en maan staan dan zo goed mogelijk
in één vlak. De periode tussen twee knopen bedraagt 27,21 dagen. Deze
haalt de periode van de maansmaand, ongeveer 29,53 dagen, langzaam in.
Na ongeveer 13 maansmaanden, dat is ongeveer 376 dagen, is een inhaalslag
afgerond. Het is dus niet zo, dat bij nieuwe maan of volle maan systematisch
grotere ongelijkheden zouden bestaan.
Naast de dagelijkse ongelijkheid doen er zich nog andere variaties voor
in de hoog- en laagwaterstanden.
|
|